Hoe zit de nieuwe tarifering voor externe diensten in elkaar?

Sinds 2016 gelden nieuwe tarieven voor de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. Hoe die nieuwe tarifering in elkaar zit, leggen we aan de hand van volgende vragen uit:

Waarom is er een nieuwe tarifering voor externe diensten?

In navolging van het eenheidsstatuut wil de wetgever een nieuw financieringssysteem introduceren om meer transparantie te creëren in de tarieven van de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. 

Bovendien wil de wetgever hun prestaties spreiden over de verschillende welzijnsdomeinen zodat de nadruk niet alleen meer ligt op het periodiek gezondheidstoezicht, maar ook op risicoanalyses en het voorstellen van preventiemaatregelen inzake veiligheid, ergonomie of psychosociale aspecten.

Hoe wordt dit concreet toegepast?

Een nieuwe basisberekening van de tarieven zorgt ervoor dat werkgevers voortaan een jaarlijks forfaitair minimumbedrag betalen, berekend per werknemer gekoppeld aan de hoofdactiviteit van het bedrijf en zijn risico’s. De werkgever betaalt dus voor alle werknemers van zijn onderneming jaarlijks hetzelfde minimumbedrag.

Voor wie is dit bestemd?

Iedere werkgever is verplicht om jaarlijks een minimumbedrag aan preventie te betalen per werknemer die op 30/11 van het voorgaande kalenderjaar bij hem ingeschreven was. Het totaal aantal geregistreerde werknemers kan gecontroleerd worden via DIMONA of elk ander document of register dat het aantal personeelsleden op een vergelijkbare manier bijhoudt.

Voor een werknemer die geen volledig kalenderjaar in dienst was, wordt het minimumbedrag in verhouding tot de effectieve tewerkstelling (per begonnen maand) van dat jaar herberekend. Let op! Indien er voor deze werknemer een individuele prestatie, zoals een medisch onderzoek of een psychosociale interventie, werd geleverd dan betaalt de werkgever het volledige minimumbedrag.

Welke investering is dat voor mij? 

Het minimumbedrag per werknemer wordt bepaald door de tariefgroep waartoe de onderneming behoort. Er zijn 5 tariefgroepen opgesteld op basis van de NACE-codes voor de RSZ die het risiconiveau van de hoofdactiviteit van de onderneming weerspiegelen. 

Hoe hoger het risico, hoe hoger het minimumbedrag per werknemer. 
Het totaalbedrag dat de werkgever uiteindelijk betaalt, is het minimumpreventiebudget.

Tariefgroep Bijdrage* Activiteiten
1 € 42,33 Uitgeverijen, computeractiviteiten, financiële activiteiten en verzekeringen, diensten i.v.m. gebouwen, onderwijs (behalve hoger onderwijs en beroepsopleiding), enz.
2 € 61,71 Interimwerk, architecten, ingenieurs en aanverwante technische adviseurs, landschapsverzorging, administratieve instellingen, hoger onderwijs en beroepsopleiding, verenigingen enz.
3 € 77,01 Groot- en kleinhandel, opslag, beveiliging, beschutte en sociale werkplaatsen, openbaar bestuur (behalve gemeenten, OCMW en onderwijs), enz. 
4 € 97,41 Voeding en drank, textiel, houtindustrie, drukkerij en papier, farmacie, metaal, elektrische apparaten, meubelen, transport, maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting, gemeentebesturen (behalve OCMW en onderwijs), enz.
5 € 114,24 Visserij, delfstoffen, chemie, rubber, afval, bouwnijverheid, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening met huisvesting, OCMW, politie, brandweer en overige openbare orde en civiele veiligheid, enz.

*Deze bijdragen zijn geldig voor werkgevers van groep A, B, C of D met meer dan vijf werknemers, werkgevers met minder dan zes werknemers of de zogenaamde micro-ondernemingen krijgen 15 % korting. De bedragen zijn aangepast aan de indexering en zijn van toepassing vanaf 1 januari 2017.

Bekijk de volledige lijst met de indeling van werkgevers in de vijf tariefgroepen volgens hun hoofdactiviteit.

Een voorbeeld

Een onderneming vervaardigt meubelen en telde vorig jaar op 30 november 225 werknemers.

De hoofdactiviteit ‘meubelen vervaardigen’ behoort tot tariefgroep 4. Dat wil zeggen dat de werkgever voor elke werknemer die een volledig kalenderjaar in dienst was € 97,41 dient te betalen.

225 werknemers 
x € 97,41  
____________________                       
= € 21.917,25 
= totaal minimumpreventiebudget

Wat krijg ik in ruil?

Welke prestaties de externe dienst moet leveren in ruil voor dit minimumpreventiebudget is afhankelijk van de grootte van het bedrijf, de aanwezige risico’s en de vorming van de interne preventieadviseur van de onderneming.

Het forfaitair systeem

Bedrijven die geen preventieadviseur niveau I of II in dienst moeten hebben, vallen onder het forfaitair systeem. Voor hen is een basispakket vastgelegd dat de externe dienst in ruil voor het minimumpreventiebudget moet leveren. Tot deze groep behoren de micro-ondernemingen en de bedrijven uit groep C en D.

Is het basispakket voor uw onderneming van toepassing? Lees hier meer wat dit voor u betekent. 

Het budgettair systeem

Voor bedrijven met een preventieadviseur niveau I of II wordt geen basispakket vastgelegd maar wordt het minimumpreventiebudget eerst omgezet in preventie-eenheden om daarna ‘à la carte’ te besteden aan prestaties van de externe dienst. Tot dit budgettair systeem behoren de bedrijven uit groep A, B en C.

Werkt u voortaan met preventie-eenheden? Lees hier meer wat dit voor u betekent.

Groups:

Sitemap