Medewerkers tellen voor het jaarlijks werkgelegenheidsplan oudere werknemers

02/03/2018

Sinds 2013 moeten werkgevers met meer dan 20 werknemers jaarlijks een werkgelegenheidsplan ‘oudere werknemers’ opstellen. Het doel van dit plan is om het aantal werknemers van 45 jaar en ouder in de onderneming te behouden of te verhogen.

Telling werknemers

Elke werkgever met meer dan 20 werknemers moet jaarlijks een werkgelegenheidsplan ‘oudere werknemers’ opstellen om het aantal werknemers van 45 jaar en ouder te behouden of te verhogen. De sociale partners kwamen enkele jaren geleden overeen om dit systeem in te voeren op basis van een Europees initiatief. Tegen 2020 wil Europa immers een participatiegraad van 50% bekomen voor oudere werknemers van 55 tot 65 jaar. Daarvoor moeten ook Belgische ondernemingen inspanningen leveren. Met het werkgelegenheidsplan nemen ze zowel jaarlijks maatregelen maar ze kunnen in dat jaarlijks plan ook acties vastleggen over meerdere jaren.

Om het aantal werknemers voor de komende 4 jaar te bepalen, maakt de werkgever een momentopname op de eerste werkdag van het kalenderjaar waarin het werkgelegenheidsplan wordt opgesteld. De werknemers én uitzendkrachten in de onderneming, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, worden geteld op basis van de Dimona-aangiften. De werkgever heeft wel de mogelijkheid om de relevantie van die momentopname te weerleggen door bijvoorbeeld een andere berekeningswijze te gebruiken.

Het aantal werknemers wordt dus geteld op één bepaald moment waarna die telling van kracht is voor een periode van 4 jaar. Als een werkgever in 2014 zijn medewerkers telde, gold dat tot en met 2017 en moet hij of zij die telling dit jaar opnieuw doen.

Procedure en wie krijgt de informatie

De werkgever moet het ontwerp van elk nieuw werkgelegenheidsplan voorleggen aan de werknemersvertegenwoordiging, in de eerste plaats de ondernemingsraad. Is dit orgaan er niet, moet dit gebeuren bij de vakbondsafvaardiging. Bij gebrek aan een syndicale afvaardiging wordt dit het comité voor preventie en bescherming op het werk (CPBW). Bestaat er geen CPBW moet de werkgever het ontwerp rechtstreeks voorleggen aan zijn werknemers. Bij een onderneming met 21 tot 49 werknemers, waar geen vakbondsafvaardiging en geen CPBW is, moet de werkgever hen enkel informeren. Er is geen overleg nodig.

Als er binnen de organisatie een ondernemingsraad bestaat, moet de werkgever het ontwerp van elk nieuw werkgelegenheidsplan voorleggen in het kader van de jaarlijkse inlichtingen over genomen of geplande sociale maatregelen inzake tewerkstelling. Dat moet uiterlijk 3 maanden na het afsluiten van het boekjaar gebeuren.

Na afloop van het werkgelegenheidsplan informeert de werkgever de specifieke werknemersvertegenwoordiging over de resultaten van de uitgevoerde maatregelen.

Let op: Als het plan maatregelen bevat die over meerdere jaren gespreid zijn, moet de werkgever ook jaarlijks een verslag over de voortgang van het werkgelegenheidsplan voorleggen.

Modelsjabloon 

Om u als werkgever zo goed mogelijk bij te staan, voorzien we graag een modelsjabloon van een werkgelegenheidsplan voor oudere werknemers. Dankzij de vastgelegde structuur van dit document hebt u meteen een houvast om alles correct in te vullen en geen belangrijke elementen over het hoofd te zien. 

Begeleiding op maat

Bedrijven hebben het niet altijd makkelijk om oudere werknemers te integreren in hun onderneming en/of om hen aan het werk te houden. Bovendien is het ook belangrijk dat de verschillende generaties in een organisatie goed leren samenwerken. De preventieadviseur psychosociale aspecten van onze externe preventiedienst Provikmo kan helpen bij de uitwerking van een leeftijdsbewust personeelsbeleid op maat. Natuurlijk gebeurt dit steeds in overleg met de onderneming zelf.

Sitemap